Mag ik onverkochte voorraad producten nog vernietigen?
Vernietigen van onverkochte voorraad wordt aan banden gelegd
Op dit moment mag onverkochte voorraad in de meeste gevallen nog vernietigd worden, maar de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) bouwt een kader op waarmee dat voor steeds meer productgroepen wordt verboden. De verordening zelf spreekt niet van één algeheel verbod dat per direct voor alle producten geldt. In plaats daarvan legt zij de basis vast: de Europese Commissie krijgt de bevoegdheid om per productgroep te bepalen dat vernietiging van onverkochte consumptiegoederen niet meer is toegestaan, en verplicht bedrijven alvast om openheid te geven over wat zij met onverkochte voorraad doen. Textiel en schoeisel zijn de productgroepen die in de verordening als eerste zijn aangewezen voor een verbod; voor andere productgroepen moet dat nog apart worden vastgesteld.
Voor wie dit geldt, en voor wie niet
De regeling raakt fabrikanten, importeurs en andere marktdeelnemers die consumptiegoederen op de EU-markt brengen en die overgebleven, onverkochte exemplaren afdanken of laten vernietigen. Het gaat dus om nieuwe producten die nooit bij een consument terecht zijn gekomen — overschotten, retouren die als nieuw worden beschouwd, seizoensvoorraad die niet is verkocht. Het gaat niet om producten die al bij een consument in gebruik zijn geweest en als afval worden ingeleverd; daarvoor gelden andere regels, zoals de afvalstoffenregelgeving of productspecifieke regimes zoals voor elektronica of batterijen. Ook producten die om veiligheids- of conformiteitsredenen uit de handel moeten worden genomen, vallen buiten dit kader: die moeten überhaupt niet in omloop blijven, ongeacht wat de ESPR over vernietiging van onverkochte voorraad zegt.
Belangrijk is verder dat de verplichtingen niet automatisch voor elke onderneming en elke productgroep gelden. De verordening voorziet in een uitzondering voor micro- en kleine ondernemingen, en in een overgangsregeling voor middelgrote ondernemingen. Wie tot die categorieën behoort, valt dus (voorlopig of blijvend) buiten de strengste verplichtingen, ook als het product zelf — zoals textiel of schoeisel — wel is aangewezen.
Wat al vaststaat en wat nog moet worden ingevuld
Wanneer een verbod voor een specifieke productgroep daadwerkelijk gaat gelden, hangt af van de aanwijzing die voor die productgroep is of wordt vastgesteld. Voor textiel en schoeisel is die aanwijzing in de verordening zelf al opgenomen; voor andere productgroepen moet de Commissie dat nog apart regelen via een gedelegeerde handeling. Een concrete datum waarop het verbod voor een bepaalde productgroep ingaat, en de precieze afbakening van welke bedrijven wel of niet zijn uitgezonderd, staat dus per productgroep in de verordening en de bijbehorende uitvoeringsteksten zelf. Tot het moment dat een productgroep is aangewezen en de bijbehorende verplichting van kracht wordt, verandert er voor die groep in de praktijk nog niets aan wat wel of niet mag met onverkochte voorraad.
Wat al wel geldt, is de verplichting om inzicht te geven: marktdeelnemers die onder de regeling vallen, moeten informatie openbaar maken over de hoeveelheden onverkochte consumptiegoederen die zij afdanken en over de reden daarvoor. Die transparantieverplichting is bedoeld om zichtbaar te maken hoe vaak en waarom vernietiging nog plaatsvindt, ook voordat voor een productgroep een hard verbod ingaat.
Wat dit voor de praktijk betekent
Voor wie nu met onverkochte voorraad zit, is de eerste stap na te gaan of het product tot een productgroep behoort waarvoor de ESPR al een aanwijzing kent — textiel en schoeisel zijn daarbij het duidelijkste voorbeeld. Is dat het geval, dan is de tweede stap te kijken of de eigen onderneming onder de uitzondering voor micro- of kleine bedrijven valt, of onder de overgangsregeling voor middelgrote bedrijven; dat bepaalt of de verplichtingen al gelden of nog niet. De derde stap is nagaan of er al een rapportageverplichting bestaat over afgedankte onverkochte voorraad, ongeacht of het vernietigingsverbod zelf al van toepassing is — die transparantieplicht kan namelijk eerder spelen dan het verbod zelf. Tot slot is het verstandig rekening te houden met de richting van de regelgeving: ook productgroepen die nu nog niet zijn aangewezen, kunnen dat in de toekomst worden, waardoor een bedrijfsmodel dat leunt op het vernietigen van overschotten op termijn tegen beperkingen aan kan lopen, ook buiten textiel en schoeisel.
Waar dit uit volgt: artikelen 23 tot en met 26 ESPR
Deze regeling is vastgelegd in de artikelen 23 tot en met 26 van de ESPR (Verordening (EU) 2024/1781), die gezamenlijk het kader vormen voor het voorkomen van vernietiging van onverkochte consumptiegoederen: de bevoegdheid om productgroepen aan te wijzen, de uitzonderingen voor kleinere ondernemingen, de rapportageverplichting en de bepalingen over herziening van het kader.
Wat te doen
Ga na of het eigen product behoort tot textiel of schoeisel, of tot een andere productgroep die inmiddels via een gedelegeerde handeling is aangewezen, en controleer de eigen bedrijfsgrootte tegen de uitzonderingen voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Raadpleeg voor de precieze status van een productgroep en de actuele stand van de gedelegeerde handelingen de tekst van de ESPR zelf via de vindplaats hieronder, en houd bij twijfel over de eigen situatie rekening met een raadpleging van een adviseur die de actuele uitvoeringsregels kan toetsen aan het specifieke product en bedrijf.
Waar dit op gebaseerd is
De verordening zelf staat op EUR-Lex. Wij verwijzen per bewering; u hoeft ons niet te geloven.
Wat u concreet moet doen
De ESPR (Verordening (EU) 2024/1781) regelt in de artikelen 23 tot en met 26 iets dat los staat van het productpaspoort zelf, maar er wel nauw mee samenhangt: het voorkomen van vernietiging van onverkochte consumptiegoederen. Voor een deel van de bedrijven die met productpaspoorten te maken krijgen, gaat deze verordening dus op twee fronten spelen — de data-eisen aan het product, en de regels over wat er met een product mag gebeuren als het niet verkocht raakt.
Wat er van u wordt verwacht
Transparantie over onverkochte voorraad
Artikel 24 van de ESPR verplicht bepaalde bedrijven om openbaar te maken hoeveel onverkochte consumptiegoederen ze vernietigen, en wat daarmee is gebeurd. Voor een bedrijf van 10 tot 100 medewerkers betekent dit praktisch dat er een administratie moet zijn die vernietigde voorraad als categorie apart bijhoudt — niet alleen "afgeschreven voorraad" in de boekhouding, maar specifiek de partijen die zijn vernietigd, met aantallen en reden. Zonder die registratie is er bij een verplichting tot openbaarmaking niets om te rapporteren.
Mogelijk verbod op vernietiging voor specifieke productgroepen
Artikel 23 van de ESPR geeft de basis om voor specifieke productgroepen een verbod op het vernietigen van onverkochte consumptiegoederen in te stellen. Dat verbod geldt niet automatisch voor alle producten; het wordt per productgroep vastgesteld via de gedelegeerde handelingen die ook het productpaspoort zelf regelen. Voor een bedrijf betekent dit dat de vraag "mag ik dit vernietigen" niet in algemene zin te beantwoorden is, maar per productgroep moet worden nagegaan. Kledingtextiel en schoeisel zijn in de verordening zelf al genoemd als voorbeeld van een sector waar dit gevoelig ligt, maar de definitieve lijst met verplichte productgroepen volgt uit de uitvoeringswetgeving.
Uitzonderingsgronden onderbouwen
Artikel 25 van de ESPR benoemt gronden waarop een uitzondering op een vernietigingsverbod mogelijk is, bijvoorbeeld bij veiligheidsrisico's van het product. Voor een bedrijf dat met een beroep op zo'n uitzondering toch tot vernietiging overgaat, betekent dit dat er een dossier moet zijn dat die keuze onderbouwt — niet als formaliteit achteraf, maar als vastlegging op het moment dat de beslissing wordt genomen. Bij een controle is "we vonden het niet meer verkoopbaar" een ander verhaal dan een dossier met een concrete veiligheidsbeoordeling.
Rapportageverplichtingen aan de hand van drempelwaarden
Artikel 24 van de ESPR koppelt een deel van de verplichtingen aan de grootte van het bedrijf; micro- en kleine ondernemingen zijn op onderdelen uitgezonderd. Voor een bedrijf van 10 tot 100 medewerkers is dit een punt om precies uit te zoeken, omdat de eigen omvang bepaalt of de volledige verplichting geldt of een lichtere vorm. Dat is niet iets om op gevoel te bepalen — de verordening zelf werkt met formele definities van ondernemingsgrootte die niet gelijk lopen aan het aantal medewerkers alleen.
Waar het misgaat in de praktijk
Een eerste situatie die vaak terugkomt: een bedrijf vernietigt een partij retourgoederen omdat verkoop niet meer rendabel is, zonder te checken of de productgroep inmiddels onder een vernietigingsverbod valt. Dat verbod wordt namelijk per productgroep en per gedelegeerde handeling ingevoerd, vaak gelijktijdig met de eisen aan het productpaspoort voor diezelfde groep — wie dat laatste al volgt, mist het eerste soms toch.
Een tweede situatie: er is geen aparte registratie van vernietigde voorraad, alleen een boekhoudkundige afschrijving. Op het moment dat openbaarmaking wordt gevraagd, is dan niet meer te reconstrueren hoeveel exemplaren precies zijn vernietigd en waarom.
Een derde situatie: een uitzonderingsgrond wordt pas achteraf opgeschreven, na een vraag van een toezichthouder, in plaats van op het moment van de beslissing zelf. Dat maakt het dossier kwetsbaar, ook als de vernietiging feitelijk gerechtvaardigd was.
Een vierde situatie: voorraad die al langer op de plank ligt voordat de regels voor een productgroep ingaan, wordt niet apart bekeken. De vraag wat te doen met voorraad die er al ligt als de regels ingaan is dan ineens actueel op een moment dat er geen tijd meer is om het rustig uit te zoeken.
Een vijfde situatie: een bedrijf denkt dat de regels alleen relevant zijn als het productpaspoort voor de eigen productgroep al verplicht is, terwijl artikel 23 tot en met 26 een eigen tijdlijn en eigen gedelegeerde handelingen kent, los van de datadrager-verplichting.
Wat u kunt vastleggen
- Een overzicht per productgroep of er een vernietigingsverbod geldt of gaat gelden, met de vindplaats in de betreffende gedelegeerde handeling.
- Een aparte registratie van vernietigde onverkochte voorraad: aantallen, datum, productgroep, en reden van vernietiging.
- Een dossier per uitzonderingsgeval, opgesteld op het moment van de beslissing, met de concrete grond uit artikel 25 van de ESPR die van toepassing wordt geacht.
- Een check op de eigen ondernemingsgrootte tegen de definities die de verordening gebruikt, om te bepalen welke verplichting van artikel 24 van toepassing is.
- Een procedure voor retouren en overtollige voorraad, zodat vernietiging niet de standaardoplossing is voordat alternatieven zijn overwogen.
Dit onderwerp raakt in de praktijk vaak dezelfde vragen als de rest van het productpaspoort-dossier. Wie nog moet bepalen of het digitaal productpaspoort voor de eigen producten gaat gelden, doet er goed aan die uitzoekklus te combineren met de vraag of er voor diezelfde productgroep ook een vernietigingsverbod aankomt — beide volgen uit dezelfde verordening en vaak uit dezelfde gedelegeerde handeling. En voor wie zich afvraagt wat een toezichthouder daadwerkelijk opvraagt bij een controle: wat een toezichthouder vraagt bij een controle op producten geeft een beeld van het soort dossier dat wordt verwacht, wat ook opgaat voor de administratie rond vernietiging en uitzonderingen.
Dit is geen juridisch advies. Deze pagina geeft algemene informatie over de regelgeving waar dit platform over gaat. Wij kennen uw situatie niet. Bij twijfel over uw eigen geval raadpleegt u een jurist of de bevoegde toezichthouder.
Geschreven met AI op basis van de bronnen hierboven, gecontroleerd door een mens op 2026-08-22. Klopt er iets niet? Laat het weten — correcties krijgen voorrang.